Over de dood en andere dingen die slecht stroken met het leven
Column Wim

Tussen twee heiligen door (Sint Maarten en Sint Nicolaas) hebben ik afscheid moeten nemen van een goede vriend: Jo Lenssen (78), een pure epicurist uit het sprookjesachtige Puth. Zónder ziekte of andere aanwijsbare voortekenen ging hij plotseling dood. “Midden in het leven, met een hoofd vol plannen, etentjes en feestjes. Een hart van goud. “Genietend van alles en iedereen om hem heen” luidde de korte tekst op het herinneringsbriefje. Jo was een graag geziene gast in de Limburgse horeca. Overal waar hij verscheen vloeiden de wijnen, bruisten de bieren en rolden de fooien rijkelijk over het buffet. Jo verzamelde vrolijke mensen om zich heen om die dan vervolgens op breugeliaanse wijze te fêteren. Hij leefde uitbundig doch wenste “als het ooit zo ver was” sober afscheid te nemen: géén heilige mis, géén toespraken, géén poespas. Energie moet je in het leven steken en niet in de dood. Jo wilde wél dat zijn vrienden, gedachtig de dichter Rikus Waskowsky (“Rampspoed geeft recht op dronkenschap”) voldoende dronken bij zijn afscheid. Aldus geschiedde.

Twee jaar lang gingen Jo, Peter Helwig en ik elke donderdagmiddag op bezoek bij een gezamenlijke vriend. Deze vriend bracht zijn laatste levensjaren door in een goed bedoeld verzorgingstehuis. Wij genoten die middagen volop van de humor, de jenever en de braadharing. Twee jaar lang zagen wij onze gezamenlijke vriend, beetje bij beetje, aftakelen. Bij het verlaten van het verzorgingstehuis sprak Jo dan telkens: ”Ik hoop dat míj́ dit bespaard zal blijven. Ik wil sterven in het harnas!” Dat is hem gelukt. Tot op de laatste dag heeft hij, zoals het hoort, de regie over zijn eigen leven gevoerd.

“Waar zou Jo nu zijn?” vraag ik mij af. Hij heeft de hemel op aarde zonder meer verdiend dus zou hij in de hemel zijn? Volgens de Bijbel Online van de Evangelische Omroep is de hemel “een plek vol natuurwonderen met velden vol bloemen, levendige bossen en besneeuwde bergen”. Ik moet er niet aan denken om ooit, ná de beproevingen in de hel en het vagevuur te hebben doorstaan, in een hemels natuurlandschap te belanden! Wat moet je daar -in God’s naam- gaan doen? Ook de hemel die mijn-moeder-zaliger mij vroeger voorspiegelde lijkt me bepaald geen pretje. In de hemel van mijn moeder zit iedereen op een wolkje, klinkt er zachtjes harpmuziek en staat er voortdurend een beschermengel naast je hemelbed. Ook geen leuk vooruitzicht, dunkt mij. Laat mij nog maar even leven! Mocht er echter leven ná de dood zijn, dan is dat mooi meegenomen. Beschouw het als een toetje maar bedenk dat de hoofdmaaltijd op aarde wordt opgediend. Dum vivimus, vivamus!

Wim Cremers

Foto v.l.n.r. Peter Helwig, Louis op den Camp, Wim Cremers en Jo Lenssen